Uitspraak steenuil en bestemmingsplan De steenuil zorgt weer voor nieuwe jurisprudentie. De Afdeling bestuursrechtspraak toetst een bestemmingsplan marginaal op de uitvoerbaarheid gelet op de verbodsbepalingen in de Flora – en faunawet/Vogelrichtlijn. De inhoudelijke Ff-discussie wordt gevoerd in de Ff-procedure. In algemene zin geeft de actuele uitspraak van een 10 september 2014, zaaknummer 201401344/1/R6, een-grote-stappen-snel-thuis indruk. Dit is te verklaren vanuit de aanpak als zijnde een marginale toetsing. Deze uitspraak maakt – voor zover ik weet – nu voor het eerst duidelijk dat een beroep tegen de uitvoerbaarheidstoets ingevolge de Ff-wet alleen dan slaagt wanneer de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan redelijkerwijs had kunnen inzien dat het uitgesloten is dat een Ff-ontheffing kan worden verleend, omdat met de uitvoering van het plan zeker is dat een voortplantingslocatie verloren zal gaan. Met het verloren gaan van een voortplantingslocatie voor een steenuil is sprake van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van een lokale populatie steenuilen.

Als dus voor – zeg maar – een “leek” niet vaststaat dat de uitvoering van wezenlijke invloed zal zijn, bijvoorbeeld vanwege het feit dat ecologen discussiëren over de feitelijk resterende omvang van het foerageergebied of de resterende kwaliteit daarvan rond de betrokken voortplantingslocatie, dan staat voor de Afdeling al gauw de wezenlijk negatieve invloed onvoldoende vast en is een toetsing aan de Vogelrichtlijn niet meer aan de orde in de bestemmingsplanprocedure.

De les is dus hier dat alleen wanneer de beschermde voortplantingslocatie (vrijwel) zeker vernietigd dreigt te worden vanwege de geplande uitvoering van het bp, sprake zal kunnen zijn van een “wezenlijke invloed”. Ik schrijf bewust “kunnen zijn” want de interpretatie van de term “wezenlijke invloed” is bij mijn weten ook nog niet helemaal scherp geformuleerd in de Afdelingsjurisprudentie. Onder ecologen is sprake van “wezenlijke invloed” als het lokaal aanwezige aantal bestaande voortplantingslocaties voor steenuilen vermindert door de ingreep.

De volgende stap is de vraag of een Ff-ontheffing nodig is voor het plangebied. Daarover is de Afdeling duidelijk, mede onder verwijzing naar onze roemruchte uitspraak in dit dossier van 3 oktober 2012, zaaknummer 201107056/1/T1/A3. Er wordt ingegrepen in een bestaand functionerend foerageergebied, dus de Ff-ontheffing is nodig.

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft goed vastgesteld dat de discussie tussen de partijen is toegespitst op de vraag of voldoende foerageergebied resteert om te kunnen concluderen dat het functioneren van de bestaande voortplantingslocaties geen gevaar loopt. Deze ecologische discussie zal verder nog moeten worden gevoerd in de lopende Ff-ontheffingsprocedure. Ook dan speelt nog opnieuw de juridische vraag of sprake is van een “wezenlijke negatieve invloed” op de gunstige staat van instandhouding van de lokale steenuilenpopulatie en welke maatregelen zouden moeten worden genomen om schade aan de bestaande voortplantingslocaties te voorkomen. Onderdeel daarvan is of met het stellen van voorwaarden aan de Ff-ontheffing en maatregelen zoals het optimaliseren van het noordelijk deel van het betreffende gebied met de uitvoering van een landschapsplan, eventueel wezenlijk negatieve invloed voorkomen kan worden.

Onze ecologen hebben in de Ff-bezwaarprocedure duidelijk gemaakt dat gevreesd moet worden voor wezenlijk negatieve invloed, omdat de omvang en de kwaliteit van het resterende foerageergebied onjuist is berekend door de gemeente.